RTV Zwolle FM – Anne Vree is te gast Bij Zo Zwols

Hierbij het audiofragment van de uitzending ‘Bij zo Zwols’ van Radio RTV Zwolle FM waar ik vandaag te gast mocht zijn!

Ben je een hardcore fan? (Hoi lieve mama!) Dan kan je hier mijn radio uitzending terugluisteren! Hij duurt 28 minuten. Onder het filmpje zie je de uitgeschreven audio.

Met dank aan Trudi Spoor voor haar goede vragen en aan Roel van Olst, die de audio voor mij heeft opgenomen.

Uitgeschreven tekst  – Radio uitzening Bij zo Zwols

Trudi: Het is vrijdagmiddag en het is droog.. we hebben de stormen doorstaan en in de studio hebben we gasten. Nou, volgens mij kan het beginnen. Giuseppe is nog op vakantie. Edgar is er wel bij.

Edgar: Ja.

Trudi: Gezellig Edgar dat je ook deze week met mij mee presenteert.

Edgar: Zeker.

Trudi: En als gast hebben we deze week Anne Vree en wat Anne doet, dat hoor je straks.

*Muziekje*

Trudi: Nou welkom terug bij het programma ‘Bij Zo Zwols’. En in de studio hebben we te gast Anne Vree. Welkom!

Anne: Dankjewel.

Trudi: Anne, ik kwam jou tegen in Stadshagen bij ’Stadshagen Festival’ was het?

Anne: Het was de kunst en cultuur markt in Stadshagen.

Trudi: Dat was het.

Anne: En daar zat jij met een boek. En ik ging eens kijken en toen dacht ik “Hè, dat is leuk!”. Maar jij hebt een kinderboek geschreven.

Anne: Ja, een prentenboek, eigenlijk.

Trudi: Een prentenboek. Maar vertel eerst.. wie is Anne. Wat moeten wij over jou weten?

Anne: Nou, mijn naam is Anne Vree. Ik ben illustrator, of eigenlijk, parttime illustrator. Ik heb illustratie gestudeerd aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Ik ben naar Zwolle verhuisd voor mijn grote liefde, Christiaan. Ik ben begonnen om eerst zelf bezig te zijn als illustrator in opdracht. Maar na twee jaar dat gedaan te hebben, naast mijn werk, vond ik het toch beter om mijn illustraties te maken voor mezelf als plezierige tijdsbesteding en niet meer in opdracht. Dus ik heb me volledig gericht op projecten die ik zelf leuk vind. Prentenboeken maken, Kerstkaarten maken, kleurplaten maken en niet meer voor bedrijven werken want daar heb ik al een baan voor gevonden.

Trudi: Je werkt nu als?

Anne: Ik ben marketeer en vormgever bij Limid. Ze zitten op het industrieterrein. Ze verkopen presentatie oplossingen aan bedrijven. Grote televisie schermen om beter te kunnen vergaderen en scholen.. digiborden.. En ik doe daar de marketing en de vormgeving. Dus ik doe heel veel DTP werk en ik zorg ervoor dat ons bedrijf er leuk uitziet op internet.

Trudi: Die vormgeving dat zie je in je boek ook wel terug.

Anne: Ja.

Trudi: Maar ik zag jou, en ik denk, ik heb niet gevraagd naar jouw leeftijd maar voor mij ben je een jongedame.

Anne: Dat klopt, haha.

Trudi: Ik denk, hoe ben je nou begonnen om een kinderboek te gaan schrijven.

Anne: Het vloeide eigenlijk voort uit mijn studie. Ik heb illustratie gestudeerd en eigenlijk heb ik altijd al tekeningetjes gemaakt. Vroeger wilde ik heel graag schrijver worden. Maar toen kwam ik erachter dat ik eigenlijk niet kan schrijven. Dus toen dacht ik, Laat ik verhalen gaan maken maar dan op een beeldende manier. En dat heeft er altijd in gezeten. En dat zit er nog steeds in. Dus om de zoveel tijd maak ik een prentenboek.

Trudi: En we gaan het dalijk eens even over dat prentenboek hebben.

*Muziekje*

Trudi: Nou een heerlijk Frans liedje op de vrijdagmiddag. Anne we hadden het over jouw boek. Je hebt een boek geschreven. Vertel wat voor boek heb jij geschreven.

Anne: Het prentenboek gaat over een Egeltje die voor het eerst alleen naar huis moet lopen want zijn moeder heeft het te druk. Zijn moeder geeft hem een kaart, zodat hij de weg naar huis weet. Maar terwijl hij onderweg naar huis aan het lopen is, gaat het heel hard waaien en dan waait de kaart weg. Het boekje gaat over de stress die het Egeltje heeft van ‘Hoe kom ik nou thuis?’ en door middel van voorleesaanwijzingen in het verhaal kan je het verhaal wat uitgebreider vertellen.

Trudi: En dat vond ik juist zo interessant toen ik jouw boek zag.. dat jij aanwijzigingen bij het vertellen hebt. En ik dacht ‘Hé, dat is interessant voor mensen die autisme hebben. Als je die mensen vraagt om een boekje voor te lezen, dan zullen ze dat prima kunnen, maar juist die aanwijzingen, wat je zou kunnen gebruiken.. Dat kan ontbreken.  Heb je het expres zo gedaan?

Anne: Ik heb het niet expres gemaakt voor mensen met autisme, maar wel voor mensen die het moeilijk vinden om voor te lezen. En die meer een moment willen hebben met hun kind. Die tips helpen je echt om het interactiever voor te lezen door vragen te stellen aan je kind, zo van ‘Hoe vind jij het als je alleen naar huis moet lopen zonder mij?’. En in het verhaal komt hij dan in een donkere grot en dan vraag je ‘Vind jij dat ook eng?’. Het vertelt je ook echt hoe je moet voorlezen.. Als de wind gaat waaien dat je dan kunt zwaaien met je handen en je stem kunt gebruiken. Dus het laat zien dat je op verschillende manieren kan voorlezen.

Trudi: En had je zelf zo’n soort boek al eerder gezien? Of is dit zeg maar uit jouw brein ontsproten?

Anne: Nee, dit had ik niet eerder gezien en dat vond ik eigenlijk wel jammer. Ik vind het heel leuk om voor te lezen. Maar vaak ben je moe en lees je heel snel het verhaaltje voor. Dan pak je niet even het moment om er echt jouw verhaaltje van te maken. Ik weet nog vroeger dat als mijn moeder het verhaaltje iets anders voor las dan zei ik “Nee! het verhaaltje ging zo hoor!”

Trudi: Ja dat klopt! Ik herken het. Maar voor autisten vind ik het dus een heel handig boek, maar daar is het dus niet speciaal voor gemaakt.

Anne: Niet speciaal voor, maar het kan natuurlijk daarvoor gebruikt worden, want je kan wel beter de emoties volgen in het verhaal zo.

Trudi: Nou ik zou zeggen als je toch met marketing en reclame bezig bent om dat juist eruit te halen, want dat is eigenlijk wat mij erg opviel.

Anne: Het is wel een goed idee.

Trudi: En de illustraties, wie heeft die gemaakt?

Anne: Ikzelf, ik ben illustrator, immers.

Trudi: Maar in combinatie met het schrijven, want dat vond je dan.. Niet zo helemaal?

Anne: Het schrijven was moeilijk, maar drie jaar geleden heb ik het boek gemaakt als mijn afstudeerproject en toen heb ik wel een beetje hulp gehad van een hele goeie vriend van mij, Luc Parhan. Die heeft me een beetje geholpen. Ik kan wel een verhalen bedenken maar soms moet je het even uit me trekken. Hij is heel extravert en heeft me toen heel goed geholpen om dat te verzinnen.

Trudi: En dit boek, dat heb je zelf uitgebracht.

Anne: Ja.

Trudi: Hoe is dat zo gekomen dan?

Anne: Nou ik had het boek gemaakt. Ik was afgestudeerd. Toen heeft het een tijdje in de kast gelegen, want ik heb wel uitgevers benaderd, maar heel vaak moet je boek eigenlijk nog niet af zijn willen de uitgevers er mee verder. Want ze willen nog een beetje sturing geven. Maar mijnes was al helemaal af, dus ze konden me niet meer sturen. Maar toen ben ik bij een drukkerij gaan werken. Daar kon ik ook boeken drukken. Dus ik heb toen geleerd hoe je boeken moet drukken en na werktijd mocht ik van mijn baas zelf aan de slag dus toen heb ik het uitgebracht in een beperkte oplage van 50 stuks.

Trudi: En ben je ze al kwijt?

Anne: Ik heb er denk ik nog acht. Dus wees er snel bij!

Trudi: Stel dat mensen denken van, dit is wel interessant zeker met de aanwijzingen in het boek. Hoe kunnen ze bij jou komen?

Anne: Ik heb een website. Annevree.com. Ik heb ook een instagram account: annevreeillustration. En als je daar op kijkt, dan kan je een inkijkexemplaar zien. En op de eerste zeven pagina’s kan je kijken wat er plaatsvindt en aan het eind staat er een linkje naar bol.com daar kan je het ebook kopen. En als je een van de laatste hardcover exemplaren wilt hebben dan kan je mij een mailtje sturen naar info@annevree.com.

Trudi: Nou, we gaan even naar de muziek.

*Muziekje*

Trudi: Welkom terug bij het programma Bij zo Zwols! We hebben Guiseppe niet aan tafel die zit nog in Frankrijk.

Edgar: Ja, die zat volgens mij nog ergens in Frankrijk.

Trudi: Zal wel goed bevallen. Is er in Frankrijk niet ook een enorme storm?

Edgar: Volgens mij was het weer daar niet zo prettig inderdaad.

Trudi: Nou ja. Edgar, jij bent er bij, hartstikke fijn. En aan tafel hebben we Anne Vree, die over haar boek vertelt, ‘Daarheen, kleine Egel!’

Anne: Ja.

Trudi: Daar hebben we het net overgehad. Ben je al weer bezig met een tweede boek?

Anne: Ja, toevallig wel. Ik ben bezig met een nieuw prentenboek en die is vooral geïnspireerd door het feit dat ik naar Zwolle ben verhuisd. Ik kom oorspronkelijk uit Zuid-Holland dus Zwolle was heel nieuw voor mij. Ik vond het heel interessant dat Zwolle echt een mix tussen een stad en een dorp is. Ik kom uit een klein drop met heel veel natuur. Ik ging naar school in Rotterdam, daar had je alleen maar hoge gebouwen. En Zwolle heeft oude gebouwen en 33 parken geloof ik.

Trudi: Ik zou het niet weten.

Anne: Zwolle is de groenste stad van Europa geweest.

Trudi: Echt waar?

Anne: Ja. Dus al die oude gebouwen inspireerde mij om een nieuw verhaal te maken dat zich in Zwolle afspeelt. En ik was een keer aan het hardlopen met een vriendin van mij in het Wezenlandenpark en toen zagen wij daar een Schildpad aan het water liggen. Dat vond ik zo raar. En toen ik een keer ging bootje varen, zag ik er ook weer drie in de gracht. En toen dacht ik, ‘Wat raar, Hoe kan zo’n schildpad daar overleven?’ en bedacht ik me ‘Nou, daar ga ik een prentenboekje over maken.’ Hoe overleeft een schildpad die – heel zielig – gedumpt wordt door zijn baasje in de gracht.

Trudi: Ik vraag me inderdaad ook af als je dat zo vertelt.. Hoe komt inderdaad zo’n Schildpad hier in het Zwolse terecht dan?

Anne: Ik denk dat ze zijn uitgezet door hun baasjes. De geelwandschildpad en de roodwangschildpad werden eerst verkocht in dierenwinkels. Maar ze kunnen heel oud worden en als ze dan groeien dan hebben mensen geen ruimte meer voor de beestjes en dan zetten ze ze uit.

Trudi: Maar ze kunnen wel overleven hier dus?

Anne: Ik zie ze elk jaar weer terugkomen. Ik neem aan dat ze zich in de winter gewoon ingraven.

Trudi: Heb jij ze weleens gezien, Edgar?

Edgar: Ik heb er denk ik toen ik bij Deltion daar op school zat weleens eentje daar gezien. Maar verder niet echt nee. Maar ik geloof echt wel dat ze kunnen overleven.

Trudi: Ik ga ook weleens een rondje lopen. Ik wil ze wel een keertje zien.

Trudi: Maar dat proces, naar het boek toe. We waren zeg maar in de voorbesprekingen en ik denk ‘O jee, daar komt toch echt wel veel bij kijken!’ Neem ons even mee in dat verhaal.. Behalve dat je dan al wat geschetst hebt. Wat moet er gebeuren voordat je bij het drukken van een boek komt?

Anne: Als je een boek wilt maken dan moet je dus eerst heel lang rondlopen met het idee. En dan ga je dat een beetje noteren op notitieblaadjes van waar het verhaal over moet gaan. En als je een ruwe versie van het verhaal hebt, dan kan je in mijn geval, alvast beginnen met tekenen. Een vaste regel van een prentenboek is dat ze 24 pagina’s moeten hebben, zodat het goed uit komt bij het drukken. Dus dan zorg je eerst dat je je verhaal over 24 pagina’s verdeeld. En dan ga je bij de tekstjes die je geschreven hebt de schetsen maken. Als je de schetsen gemaakt hebt, dan leg je ze naast elkaar. En dan kan je zien: loopt het verhaal goed? En als het verhaal goed loopt dan kan je het gaan uitwerken, gaan schilderen op de computer of met de hand.

Trudi: Maar.. 24 bladzijden?

Anne: Ja, het moet gedeeld door een bepaald aantal zijn zodat –

Trudi: Dat het moet eindigen op een even getal dat kan ik me nog iets bij voorstellen. Maar heeft het een minimum aantal bladzijden nodig om een boek te kunnen drukken?

Anne: Ja. Ook omdat de rug van een boek moet minimaal 7 mm zijn anders is hij niet stevig genoeg.

Trudi: Oké, dus daar heb je het op gebaseerd. Dus zo schrijf je dus min of meer je verhaal ook.

Anne: Ja, je denkt er echt goed over na van wat gebeurd er hier en wat gebeurd er daar. Ook toen ik mijn andere boek deed, ging ik heel erg in op wat doen die dieren op dat moment… Heel veel met herhaling werken, hè, dat vinden kinderen fijn.

Trudi: Hoe werd er gereageerd in je naaste omgeving?

Anne: Mijn schildpad boek?

Trudi: Nouja, je bent nu aan een tweede bezig. Dus ze hebben ook meegeleefd aan de ontwikkeling van je eerste boek. Hoe gaat zoiets? Lezen ze mee? Geven ze je feedback? Aan wie vraag je feedback..?

Anne: Ik laat het meestal we zien aan mijn familie en mijn ouders en vooral mijn vriend, die is grafisch vormgever dus elke keer als ik iets maak, dan kan ik heel goed advies aan hem vragen of het mooi staat en wat hij zou doen. Hij steunt me daar altijd heel erg goed in.

Trudi: En je verhaal.. door wie?

Anne: Nou mijn verhaal daar is nu eigenlijk nog niet naar gekeken. Mijn vorige verhaal die heb ik zelfs laten lezen door de bibliotheek in Rotterdam door een mevrouw die daar werkte, een expert met de jeugd. En die heeft het toen voorgelezen bij zo’n voorleesmoment aan 30 kinderen. En ik ben toen ook naar de VoorleesExpress gestapt en die hebben het toen ook voorgelezen met hun vrijwilligers thuis, zodat ik echt kon zien of het verhaal klopte, wat er nog bij moest. Maar bij dit boek zit ik echt nog in de schetsfase. Ik heb het verhaal opgeschreven en ik ben nu langzaamaan de tekeningetjes aan het maken maar verder is het nog onbekend waar het heen gaat.

Trudi: Je liet al schetsen zien. Maar het zijn allemaal schetsen die zich afspelen echt rondom Zwolle.

Anne: Ja, dat klopt! In het boek zie je het Wezenlandenpark, de Sassenpoort, Het Beugeltje, zelfs de pannenkoekenboot. Allemaal momenten die je als zwollenaar herkent.

Trudi: Ik ben benieuwd, zouden er dan geen uitgevers belangstelling er voor hebben juist omdat het zich zo specifiek in Zwolle gaat afspelen.

Anne: Ik hoop het wel natuurlijk. Want het zou heel fijn zijn als alle bedrijven die in Zwolle zitten en die er een beetje opstaan het boek zouden kunnen gaan verkopen. Het kinderboerderij in het Wezenlandenpark die hebben volgens mij ook een winkeltje, en die heb ik ook getekend in mijn verhaal. Dus het zou heel leuk zijn als die het dan verkopen.

Trudi: Het beugeltje hoorde ik ook net voorbij gaan, of niet?

Anne: Ja.

Trudi: En wie had je er nog meer in?

Anne: In het wezenlandenpark heb ik het Parkpaviljoen getekend, heel klein. En de kinderboerderij – dat stukje. Kerkbrugje zit erin. De peperbus nog niet – maar misschien komt dat op de cover.

Trudi: Nou daar gaan we het zo wel eventjes over hebben.

*Muziekje*

Trudi: Welkom terug luisteraars bij het programma ‘Bij zo Zwols!’  en aan tafel hebben we Anne Vree zitten. Anne jij hebt een boek geschreven. En het eerste boek ‘Daarheen, kleine Egel’. En het tweede boek daar ben je mee bezig. Hoe gaat dat heten?

Anne: ‘Een schildpad in de gracht.’

Trudi: En dan wel in de Zwolse gracht.

Anne: Ja.

Trudi: Maar dat ga je er niet bijzeggen?

Anne: Ik wilde dat dat duidelijk werd aan de hand van de tekeningen.

Trudi: Het maakt niet uit, in Nederland zijn er nog wel meer grachten.

Anne: Ja precies. Dus iedereen kan het voorlezen, maar de oplettende Zwollenaar die ziet: ‘O hé, dat is de Sassenpoort.’

Trudi: Het is wel echt op Zwolle geïnspireerd. En hoe ga je je boek opbouwen? Want dat is ook niet zo maar, dat je het zo even neerzet.

Anne: Nee, nee.. Het is vooral begonnen met mijn verbazing aan hoe de schildpad hier overleeft. En hoe komt die in de gracht? Dus daar heb ik vooral het verhaal achter verzonnen. Het begint dat Schildpad thuis zit bij zijn baasje maar dat hij te groot wordt voor zijn kooi. Dus zijn baasje brengt hem naar de Zwolse gracht en die zegt hem gedag. En nu moet schildpad dus zijn eigen huisje zien te zoeken. En hoe doet hij dat, in de Nederlandse sloot, waar het altijd regent en koud kan zijn en kan vriezen? En in mijn verhaal zie je dus – ik zal even bladeren. Hij probeert in een nestje te slapen, maar dat nestje is van de eenden dus hij wordt dan weggejaagd door de eenden. En hij denk, ik heb eten nodig, ik heb honger. Dus dan ziet hij een wormpje in het water spetteren, maar dat wormpje is aas voor vissers.. Dus dan wordt hij gevangen door een visser. En de visser brengt hem naar de kinderboerderij, want hij denkt, ‘dit diertje moet niet alleen zijn’. Maar op de kinderboerderij valt het juist zo op dat alle andere dieren al hun eigen familie hebben. En dat hij zo apart is daar.

Trudi: Het klinkt wel een beetje zielig!

Anne: Het is ook wel een beetje zielig! Maar het wordt beter. Want als de schildpad bij de kinderboerderij is dan ziet hij opeens allemaal vogels een bepaalde kant op vliegen. En dat komt doordat op een woonboot een schipper en zijn kleinzoon de eendjes aan het voeren zijn. En dan kan schildpad ook eten. En die schildpad komt steeds vaker terug naar de woonboot. En de schipper en zijn kleinzoon blijven hem maar voeren. En als het heel hard regent dan nemen ze hem naar binnen. Dan heeft hij een nieuw baasje eigenlijk. En het verhaaltje gaat verder, dat, nadat de winter voorbij is, de schildpad en de schipper heel vaak samen gaan varen. Dus dan zie je dat ze langs het beugeltje gaan en dat ze bij de drijf-inn bij de pannenkoekenboot drankjes bestellen en op een dag – ja dan moet het verhaal toch eindigen. Ziet hij een andere schildpad op de sloot. Want er zijn natuurlijk, heel veel schildpadden in de gracht. En dan zegt de schipper dat Schildpad bij zijn eigen soort moet zijn. En dan gaan de schipper en de twee schildpadden elkaar gedag zeggen. En later, zes maanden later, is de schipper weer de eendjes aan het voeren en dan ziet hij opeens een heel klein baby schildpadje en dat is dan hun baby.

Trudi: Awwww.

Anne: Ze zijn met zijn drieën en gelukkig.

Trudi: Dit is wel een heel lief verhaal.

Anne: Eigenlijk wel. Maar eerst moet je dus door de drama heen van, ‘Oh help, hoe overleef ik?’

Trudi: ‘Wat nu, wat nu?’

Trudi: Maar het is wel mooi. En ga je in dit boek ook weer [voorlees]aanwijzigen schrijven, zodat het [voorlezen] makkelijker is voor iemand, die het niet zo makkelijk uit zichzelf kan?

Anne: Dat zou kunnen. Ik zal kijken wat ik nog kan toevoegen, want bij mijn vorige boek vond ik het wel goed werken. Maar het moet wel wat toevoegen aan het verhaal. Dus ik ga nog even kijken bij welke pagina’s ik dat kan toevoegen.

Trudi: Heb je reacties gekregen van mensen van, ‘oh goh, wat fijn dat het er bij staat van ‘Wijs met je vinger hier naar toe’ of vraag aan het kind ‘Waar ben jij bang voor?’

Anne: Eigenlijk niet. Ik heb meer reacties gehad op het verhaal, dat ze het gewoon leuk vonden om voor te lezen en dat ze het mooi getekend vonden. Maar heel veel mensen die het boek gelezen hebben zijn gewoon normale ouders, die ook andere boeken voorlezen. Dus die hebben niet echt baat bij waar ik het voor gemaakt heb.

Trudi: Is het nog interessant denk je, voor jou, om dat te onderzoeken zo van, hé is dat misschien een gat in de markt, die nog helemaal niet gevonden is?

Anne: Nou het is wel een leuk idee natuurlijk omdat ik het bij mijn andere boek ook heb gedaan zou het mij een beetje.. Het zou mij toegevoegde waarde geven zeg maar.

Trudi: Ja dat zal zeer zeker. Waar zit ik aan te denken. Een school als de Ambelt ofzo? Daar zitten denk ik meer kinderen met een autisme stoornis. En daar zou je het kunnen meten. Of dat de leraren zeggen van ‘hé, dit werkt wel, of dit werkt niet.’ Zelf denk ik dat het echt een toegevoegde waarde heeft. Blij ik – ook al zou je het er niet inzetten – ik vind het verhaal van de schildpad ook heel erg mooi.

Trudi: Ik zit te denken. Zullen we eens kijken wat het eigenlijk doet in jouw boek, hé. In je eerste boek heb je het allemaal wel gedaan, zo’n aanwijzing. Als je nou een beetje de luisteraars mee wilt nemen, want het is natuurlijk lastig met een boek, ‘hoe werkt dat dan?’.

Trudi: Laten we zeggen dat je iets over het plaatje vertelt, over het verhaaltje en wat de aanwijzing in het verhaaltje is.

Anne: Dat is dan het handigst om in mijn eerste boek te doen, waar de voorleesaanwijzingen al inzitten. Ik zal het verhaaltje dan wel even voorlezen, dat lijkt me het handigst.

Trudi: Anne leest voor uit eigen werk:

Anne: “Daarheen, kleine Egel!”

Anne: “De school is uit en Egel moet alleen naar huis lopen. Want mama had het zó druk, dat ze hem niet kon komen halen.”

Anne: En dan zie je dus dat Egeltje voor een schoolplein staat en hij kijkt een beetje zielig. En op de achtergrond zijn alle andere dieren hun kinderen wel aan het ophalen. En de voorleesaanwijzing bij deze pagina is: “Hoe zou jij het vinden, om alleen naar huis te moeten lopen?”

Anne: “Thuis gaf mama hem een kaart.”

Anne: En dan zie je dat mama hem een kaart geeft. En op de volgende pagina zie je de kaart uitgespreid liggen en een rode lijn door het bos lopen en door een grot heen en dat mama aanwijst waar hij heen moet lopen.

Anne: “Kijk Egeltje, als je die rode lijn volgt, kom je veilig thuis.”

Anne: En op de volgende pagina zie je de bomen helemaal krom staan. En bladeren waaien en Egel naar huis lopen.

Anne: “Egel heeft een kaart bij zich en hij loopt dapper naar huis. Maar dan, gaat het waaaaaaaien!”

Anne: En dan nu dus de vraag aan je kind: “Hoe waait de wind?” En dan moet je nu dus bijpassende handbewegingen maken en geluiden maken. “SSSSHHHHHHH,” terwijl je je armen heen en weer doet. Zodat je echt de wind kan nabootsen.

Anne: Ik heb ook – dat kan de luisteraar niet zien – sommige lettertypes groter gemaakt zodat je kan zien dat je daar extra nadruk op moet geven met je stem.

Anne: Dus hier heb ik heel groot: “BOEM”. Haha. “Daar gaat Egel. De kaart… waait weg!”

Anne: “Waar is die kaart nou? Egel kijkt voor zich, maar de kaart is weg. Egel kijkt omhoog maar hij ziet de kaart nergens dwarrelen”

Anne: En nu moet je dus met je handen dwarrelen om te laten zien dat Egel hem niet kan vinden.

Anne: “Egel kijkt omlaag, naar een plas, maar de kaart drijft ook niet in het water.”

Anne: Dan zie je een pagina waar Egel heel hard huilt.

Anne: “Ik ben mijn kaart kwijt!” roept Egel.”

Anne: Dan staat hij voor het bos met een traantje over zijn wang.

Anne: “Arme Egel. Hoe komt hij nou weer thuis?”

Anne: Op de volgende pagina zie je dat hij hulp gaat vragen aan dieren.

Anne: “Uil vliegt langs. Egel zwaait met zijn armpjes. “Help, ik ben mijn kaart kwijt, ik ben verdwaald. Weet u de weg naar huis?”

Anne: En als je het boek voorleest, dan heb je natuurlijk de tekeningen erbij en die helpen heel erg om het verhaal te ondersteunen. En op deze pagina kan je zien – dat op zijn rug, de stekels van de Egel – de kaart vast zit die hij kwijt is geraakt. En dan zie je dat de uil achter Egel gaat staan en heel stiekem leest waar hij heen moet. Nu zeg je dus tegen je kind als je het boek voor je hebt, “Ik denk dat Uil wel weet, waar Egel heen moet. Zie jij het ook?” Dus dan moet je tegen je kind zeggen, kom eens meekijken – zodat ze het echt goed zien. Je moet het niet zelf zeggen, ze moeten zelf zien dat de kaart op Egel zijn rug zit.

Anne: “Hmm, zegt Uil. Eens even kijken.” Hij gaat achter Egel staan en denkt diep na. “Je moet door dat bos.”

Anne: En dan is de aanwijzing, wijs met je vinger.. Naar het bos.

Anne:  “Oeeee.. maar het donkere bos vind Egel wel heel eng in zijn eentje!”

Anne: Hij gaat er toch doorheen, dus nu moet je laten zien dat Egel er naar toe loopt. Dan moet je met je voeten stampen. Ik kan dat nu niet zo goed opnemen, maar je moet met je voeten stampen nu.

Anne: “Stap.. Stap.. langzaam loopt Egel door het donkere bos tot hij stopt. Twee wegen. “Oh nee, waar moet ik nou heen?”

Anne: Terwijl hij staat te twijfelen op dat kruispunt zie je dat er een slang achter een boom vandaan komt. En Egel vind dat wel een beetje eng dus je ziet op de pagina dat Egel een beetje achteruit gaat. Je ziet de emoties ook echt in het verhaal. Maar je moet dat vooral met je stem benadrukken.

Anne: “Slang komt achter een donkere boom vandaan. Egel komt voorzichtig dichterbij. “Help, ik ben mijn kaart kwijt. Ik ben verdwaald. Weet u de weg naar huis?”

Anne: En omdat kinderen herhalingen fijn vinden heb ik dat zinnetje dus drie keer herhaald in het verhaal als hij drie dieren tegenkomt.

Anne: En het volgende wat de slang zegt heb ik expres gebruik maakt van de mogelijkheden van je stem, want de slang maakt alles wat langer met zijn stem.

Anne: “Zzzo” sist Slang, “Eensss even zzzien!” Hij gaat achter Egel staan en denkt diep na. “Je moet daarheen.”

Anne: En dan moet je weer met je vinger wijzen.

Anne: En Egel loopt dan naar de donkere grot. Op de pagina zie je dat de grot een soort doodshoofd heeft, maar niet zó eng – een beetje zoals in Winnie de Pooh.

Anne: “Oee daar is de grauwe grot. Die vind Egel wel een beetje eng in zijn eentje!”

Anne: En dan moet je dus aan je kind vragen, “Brrr want een enge grot. Zou jij de grot in durven?”

Anne: Dan kun je even overleggen of je het zou doen of niet. Maar Egel is heel dapper dus hij gaat erin.

Anne: “Langzaam sluipt Egel naar binnen. In de grot zit een beer! En de beer bromt: “Waarom stoor jij mij?”

Anne: “En dan zegt Egel, “Help ik ben mijn kaart kwijt, ik ben verdwaald! Weet u de weg naar huis?”

Anne: “Maar voordat Beer kan antwoorden, hoort Egel: “Egel.. Egeltje!”

Anne: En aan het eind van de tunnel zie je een roze verschijning.

Anne: “Wie zou dat zijn?”

Anne: “Het is mama!”

Anne: En dan zie je dat ze knuffelen.

Anne: “Egeltje, ik was zo ongerust. Je had allang thuis moeten zien. Waar was je toch?” Egel kijkt naar de grond. “Mama, ik was verdwaald. Ik ben mijn kaart kwijt geraakt.”

Anne: En dan zie je dat mama een spiegeltje tevoorschijn pakt.

Anne: “O lief dom Egeltje van mij! Kijk eens in mijn spiegel. Daar is je kaart! Al de hele tijd vastgeprikt op je stekels!”

Trudi: Awww.

Anne: Daar eindigt het mee.

Trudi: Anne, laten we met dit mooie verhaal sluiten. Ik dankjewel voor het presenteren van je boek hier –

Anne: Bedankt dat ik mocht komen.

Trudi: Heel veel succes met het boek en de schildpad natuurlijk. Je hebt inmiddels al een kleine hinweise van ons gekregen om met iemand in contact te treden

Anne: Ja! Dat is fijn.

Trudi: Ik hoop dat het zijn vruchten gaat afwerpen en heel veel succes met het schrijven van kinderboeken en alles daaromheen en wie weet – tot de volgende keer.

Anne: Dankjewel.

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close